Stapels boeken

Stapels boeken

maandag 6 januari 2014


Leesverslag bij stromingsboek 1880-1940: “De stille kracht”, Louis Couperus

Algemene informatie

a.       Standaardtitelbeschrijving:

Auteur, titel: Louis Couperus, “De stille kracht”

Plaats van uitgave: Zutphen

Jaar van uitgave: 2004

Jaar van eerste uitgave: 1900

b.      Genre:

Psychologische roman

c.       Een korte samenvatting van het boek:

Het verhaal gaat over de resident van Laboewangi, genaamd Otto van Oudijck. Hij woont samen met zijn tweede vrouw Léonie en vier kinderen op het land. Hij is erg druk met zijn werk en kan het niet goed vinden met zijn regent. Hij merkt niet dat zijn aantrekkelijke vrouw Léonie hem bedriegt met vele mannen, waaronder ook haar stiefzoon Theo en de knappe Addy. Addy heeft ook een relatie met de dochter van Otto. Het eiland wordt geteisterd door iets wat de bewoners “de stille kracht” noemen. Het gaat hier om een kracht die ervoor kan zorgen dat de Nederlanders weggaan van het eiland. Als Otto op een dag een regent ontslaat, omdat deze zich onbeschoft gedroeg op een feest, vertellen de bewoners dat de stille kracht hem zal pakken. Eerst gelooft de familie hier niets van, maar als er vreemde dingen gebeuren in het huis, vlucht iedereen weg. Iedereen vertelt Otto dat dit komt door de regent, en als hij de regent dan een waarschuwing geeft stoppen de rare gebeurtenissen en komt iedereen toch weer terug naar het huis. Een tijdje later komt Otto achter het verraad van Léonie met Addy, maar om haarzelf te redden vertelt Léonie dat Addy alleen bij haar was om de hand te vragen van Doddy. Van Oudijck is hier tevreden mee en laat Doddy gaan. Dan lijkt alles weer goed te gaan, maar dan komt Otto er achter dat Léonie daadwerkelijk vreemdgaat. Ze scheiden en Léonie vertrekt naar Europa (samen met de twee jongste kinderen). Ook Theo gaat weg, omdat hij een baan heeft gekregen. Otto besluit te stoppen met werken en vertrekt. Dan zoekt Eva Eldersma hem nog een keer op. Zij is de vrouw van een van de belangrijkste medewerkers van Otto en nam vaak de taken van Léonie over, aangezien Léonie niet voldoende deed in haar rol als residentsvrouw. Otto blijkt nu ergens te wonen met een Javaanse vrouw. Na een tijdje te hebben gepraat nemen ze afscheid en dan zien de een man met een wit pak die Addy en Doddy al een keer had achtervolgd. De stille kracht, die ervoor had gezorgd dat Otto zijn macht verloor, is weer terug.

Specifieke opdracht: verwerkingsvragen

a.       “De stille kracht” is typisch een naturalistische roman, deze uitspraak zal ik verderop in mijn verhaal onderbouwen. Maar wat houdt het naturalisme ook alweer in? In het kort wat feitjes over deze literaire stroming:

-          Het naturalisme ontstond in Frank als rechtstreekse tegenreactie op het realisme

-          Het naturalisme was permanent aanwezig van 1850-1900

-          De stroming kwam vooral tot uiting in het proza en in het drama

b.      Hieronder de kenmerken van het naturalisme, met daarbij toelichting door middel van het gebruik van voorbeelden, situaties, fragmenten of citaten uit “De stille kracht”.

-          Het verhaal draait om een nerveuze/zwakke en/of zieke persoon

In het verhaal is eigenlijk sprake van 3 belangrijke personages, maar de hoofdpersoon is toch wel Otto van Oudijck. Hij is zeker ‘zwak’, want is hij is zo praktisch ingesteld dat hij blind is voor wat er leeft in zijn gezin en voor de Stille Krachten waar over verteld wordt. Als de Stille Kracht hem dan daadwerkelijk treft, zakt hij helemaal in elkaar…

”En dat er krachten waren, die zich verzamelden tot ene kracht, die hem tegenwerkte……………. zou voor zijn ziel een raadsel zijn, en mythe blijven.”

-          Er is sprake van een seculier wereldbeeld

In het verhaal wordt nergens gesproken over religie. Er wordt wel eens wat verteld over de Javaanse gebruiken met betrekking tot religie, maar de auteur geeft hier zeker zijn mening niet over.

-          Het plot kan in grote lijnen aangegeven worden als de geschiedenis van een ontnuchtering

Dit kenmerk komt ook overeen met het verhaal: de personages ontwikkelen zich, en aan het einde van het verhaal komen ze (Otto, Léonie en Eva) erachter dat hun leven niet op dezelfde manier door kan gaan in Indië: ze kiezen voor een verandering in hun leven. Léonie vertrekt bijvoorbeeld naar Europa.

-          Het onevenwichtige temperament van de hoofdpersoon wordt verklaard door determinerende omstandigheden (zoals erfelijkheid, milieu en opvoeding)

In het verhaal is steeds sprake van de botsing tussen twee culturen: de Javaanse en de Nederlandse cultuur. Door die botsing ontstaat “De stille kracht”, die het conflict (tussen resident en regent) moet oplossen.

-          Op het gebied van seksualiteit krijgen taboeonderwerpen aandacht

“De stille kracht” zorgde in 1900 voor aardig wat commotie onder de mensen, aangezien Couperus het gedetailleerd beschrijven van seksualiteit zeker niet mijdt. Een voorbeeld hiervan is de beschrijving van het stuk waarin Otto erachter komt dat zijn vrouw met Addy vreemdgaat. Een ander citaat:  “Ze wilden het beiden….. en het wild-dierachtige van Addy.”

-          Objectieve houding van de verteller (geen oordelende verteller)

De verteller houdt zich in het verhaal erg afzijdig. Nergens wordt een persoon ‘veroordeeld’ door de verteller. Ik vond het mooi om te lezen dat je als lezer van ieder personage genoeg te weten komt om te begrijpen waarom iemand op een bepaalde wijze handelt.

-          Veelvuldig gebruikt van de vrije indirecte rede

Het grootste deel van het verhaal is geschreven in de indirecte rede (op de dialogen na). Er zitten bovendien veel lange natuurbeschrijvingen bij, die ervoor zorgen dat het verhaal betrouwbaarder lijkt. Bijvoorbeeld de allereerste zin van het boek:

‘De volle maan, tragisch die avond, was reeds vroeg, nog in de laatste dagschemer opgerezen als een immense, bloedroze bol, vlamde als een zonsondergang lag achter de tamarindebomen der Lange Laan en steeg, langzaam zich louterende van haar tragische tint, in een vage hemel op.’

-          Het fatalisme en determinisme komen duidelijk naar voren

Dit is voor mij het hoofdkenmerk van het naturalisme en dit kenmerk kon ik zeker terugvinden in het boek. In de titel, “De stille kracht” zit al een soort van determinisme verborgen. Door het lezen van het boek wordt duidelijk wat die stille kracht dan precies is. De mens kan geen invloed op die kracht uitoefenen, het is ongrijpbaar. Er is veel aandacht voor het noodlot.

c.       “De stille kracht” is zeker een exponent van het naturalisme. Alle kenmerken van de literaire stroming die ik heb genoteerd, zijn in het boek terug te vinden. Vooral dat determinisme en fatalisme sprong echt uit het boek.  Verder heb ik ook een documentaire over dit boek bekeken, waarin steeds wordt verteld dat “De stille kracht” een prachtig voorbeeld van een naturalistische roman is.

Bronnen



-          http://www.scholieren.com/boekverslag/59307 (voor de samenvatting)



woensdag 29 mei 2013

Verwerkingsopdracht Romantiek/Realisme


Keuzeopdracht literatuur

Wat zijn opvallende verschillen en overeenkomsten tussen het boek en de film Max Havelaar?

Dit verslag bestaat uit een vergelijking tussen het boek Max Havelaar en de verfilming ervan. Als eerste heb ik het boek gelezen en daarna heb ik de film (van maarliefst 170 minuten) uit 1976 gekeken. Ik vond het een erg leerzame opdracht, omdat door het kijken van de film mij veel meer van het verhaal duidelijk werd en ik me meer in het verhaal kon inleven.

Als ik als eerste kijk naar de betrouwbaarheid van de verfilming, vind ik dat de makers van de film goed hebben gekeken naar de boodschap van het boek. Het gaat er in het boek om dat mensen moeten weten dat de bewoners van Nederlands-Indië heel slecht behandeld werden. Deze boodschap zit ook zeker in de film verwerkt: de makers hebben zelfs naar mijn mening wat extra nadruk gelegd op het verhaal over Saïdjah en Adinda om nog meer nadruk te kunnen leggen op de verschrikkingen in Indië. Natuurlijk zijn er ook wel verschillen tussen het boek. Zo komt al vrij snel het verhaal van Saïdjah en Adinda naar voren in de film, terwijl je dat verhaal in het boek pas veel later kunt lezen. Ook wordt het verhaal in het boek alleen verteld door Stern en Droogstoppel, in de film is dat wel anders.

In het boek komt duidelijk naar voren dat Max Havelaar een echt romantisch personage is: Havelaar is erg gevoelig (hij is betrokken bij het lot van de Javanen), lijdt ook wel een beetje aan Weltschmerz, dat wil zeggen dat hij erg bedroefd is over de wereld om zich heen (in dit geval gaat het over Indië) en streeft naar een ideale wereld. De vraag is dan natuurlijk: wordt Max Havelaar in de film ook als romantisch neergezet? Ja, ik vind van wel. In de film wordt namelijk goed duidelijk hoe Max Havelaar zich verzet tegen  de onderdrukking van de Javanen en zijn idealen worden ook meermaals uitgesproken.

Dan nu Droogstoppel: deze man wordt in het boek neergezet als een gemeen persoon, omdat hij vaak negatief spreekt over Sjaalman (oftewel Max Havelaar) en over de schrijfkunsten van Stern (in het boek onderbreekt Droogstoppel het verhaal van Stern meermaals). In de film wordt Droogstoppel meer op de achtergrond gehouden en is hij maar heel weinig te zien; en als hij eens te zien is, doet hij aardiger dan in het boek. In de film is hij vooral achterdochtig, niet echt gemeen. 

Wat ik ook zeker over de film wil zeggen, is dat ik de film een goede geëngageerde film vind. Doordat de gebeurtenissen zo levendig en helder worden gespeeld kun je je helemaal inleven in het verhaal en raak je betrokken bij de toenmalige problemen in de maatschappij.

Als ik tot slot alles met elkaar afweeg, kom ik tot de conclusie dat de film mijn voorkeur heeft boven het boek. Het boek vond ik erg langdradig en het duurde erg lang voordat ik de strekking van het verhaal doorhad. Bij het kijken van de film zat ik echter al snel in het verhaal en kon ik me veel beter inleven in de gebeurtenissen (onder andere doordat het taalgebruik hierbij veel makkelijker was).

maandag 13 mei 2013


Verwerkingsopdracht ‘Leesgroep’

Boek: De komst van Joachim Stiller
Auteur: Hubert Lampo

Leden van de leesgroep: Marsha Killian, Noor de Kort, Lisanne van Dijk en Naomi de Ruijter

Onderdeel A: gemeenschappelijk

Wat waren onze verwachtingen en in welke mate zijn die uitgekomen?
Wij hadden eigenlijk vrij hoge verwachtingen van het boek voordat we begonnen te lezen. Dit komt omdat het boek leek op een spannende detective, waarin op het einde alle puzzelstukjes in elkaar zouden vallen. Onze verwachtingen zijn echter niet zo goed uitgekomen als we gehoopt hadden: ondanks dat het verhaal best spannend was (vooral in het begin), werd alles op een gegeven moment heel langdradig en was de uitkomst van het verhaal niet echt duidelijk.

 De titelverklaring:
Het boek heet “de komst van Joachim Stiller” en dat is een erg toepasselijke titel. Het verhaal gaat namelijk over een onbekende Joachim Stiller die plotseling in het leven komt van Freek Groenevelt en zijn vriendin Simone Marijnissen. Stiller stuurt allemaal berichten en zorgt ervoor dat er zich vreemde gebeurtenissen voordoen in Antwerpen.

Bespreking van de verschillende (belangrijke) personages:

·         Freek Groenevelt: Hij is 37 jaar oud, in het begin is hij vrijgezel tot hij Simone ontmoet. Door de gebeurtenissen omtrent Joachim Stiller wordt hij heel erg angstig, hij gaat voor zijn kwaal zelfs naar een psychiater. Persoonlijk konden wij ons goed inleven in zijn personage, omdat het realistisch is hoe hij reageert (we snappen zijn gedrag wel).

·         Simone Marijnissen: Zij werkte eerst bij het jongerenblad Atomium, maar stopte daarmee toen ze Freek ontmoette. Verder is ze lerares op school. Ze heeft haar verloving verbroken en is toen ze een relatie met Freek begonnen. Zij trekt zich de berichten van Stiller niet heel erg aan. Simone wordt beschreven als een knappe, slimme en bijdehante maar zachtaardige vrouw. Ze is Freeks steun en toeverlaat (en op het einde wordt ze ook zwanger van hem).

·         Joachim Stiller: van deze persoon zijn meerdere persoonlijkheden (geleerde, omgekomen Amerikaanse soldaat) bekend. Wij denken dat hij wordt vergeleken met Jezus (de messias), want na 3 dagen staat hij op uit de dood. Wij vonden hem maar een griezelige man, omdat hij steeds weer terugkomt.

·         De wethouder: de wethouder raakt helemaal van streek als hij in aanraking komt met Joachim Stiller. Wat ons betreft reageert hij wel heel extreem op de situatie.

·         Geert Molijn: een wijze, oude man die Freek en Simone probeert te helpen waar hij kan.

·         De kunsthandelaar Wiebrand Zijlstra: hij is een echte gladjanus, bovendien denkt hij dat hij overal verstand van heeft (dus ook van kunst) en heeft veel praatjes.

·         Andreas: Andreas is een trouwe vriend van Freek, die zich altijd veel zorgen maakt om (de reputatie van) Freek.

Setting:
Het verhaal speelt zich bijna alleen af in Antwerpen. De setting wordt erg idealistisch beschreven: Antwerpen wordt steeds genoemd als een gezellige en pittoreske stad. 

Perspectief:
Er is in dit boek sprake van een ik-perspectief (het verhaal wordt beschreven vanuit de ogen van Freek). Op deze manier is het verhaal heel persoonlijk, je weet precies hoe Freek zich voelt.

Open plekken:
Het boek zit vol met open plekken. De grootste is natuurlijk: Wie is Joachim Stiller? Naarmate je het verhaal leest, komen er steeds meer subopen plekken bij, als: waarom krijgt Freek die brieven van Stiller? En: Hoe kan het dat het dode lichaam van Stiller opeens verdwenen is?

Thema:
Het hoofdthema is volgens ons verlossing, want daar wordt in het hele boek naar toe gewerkt en de personages zitten ook steeds te wachten op de verlossing.

Motieven:
Liefde, tijd, religie, angst en mysterie.

Ons persoonlijk oordeel:
Een positief punt aan het boek is dat het begin van het verhaal erg sterk is, er wordt spanning opgebouwd (vooral als je als lezer voor het eerst kennis maakt met (de brieven van) Joachim Stiller). Je raakt nieuwsgierig en wil verder lezen. Wat wij erg jammer vinden is dat het einde niet zo sterk is: de ontknoping laat te lang op zich wachten. Bovendien is de ontknoping zelf ook helemaal niet duidelijk genoeg, je komt er niet precies achter waarom Stiller Freek allemaal heeft bericht en wie hij precies was. Dat is een beetje teleurstellend.
Wat we tot slot wel erg goed vonden, was dat het verhaal mooier wordt gemaakt door de beschrijvingen van de omgeving (Antwerpen).

Onderdeel B: Persoonlijk

1)      Hoe verliep het proces van de samenwerking? Wat ging goed, wat kon beter?

De samenwerking verliep erg soepel. We maakten duidelijke afspraken en iedereen hield zich daar ook aan, dus dat was erg fijn. We hadden alleen wel beter rekening kunnen houden met wanneer we het boek zouden gaan lezen, omdat we het boek al rond de voorjaarsvakantie hebben gelezen en daardoor was de inhoud wat weggezakt.

2)      Wat heb je geleerd van deze opdracht?

Ik vond het erg leuk om met meerdere mensen hetzelfde boek te lezen, want het was erg leerzaam om het na te bespreken: iedereen had wel weer wat andere punten uit het boek naar boven gehaald.

3)      Welk leesniveau heeft jullie boek? Hoe goed kon je hiermee overweg?

Wij hadden een boek gekozen met leesniveau 5 (voor de eerste keer), en hier konden we goed mee overweg. We begrepen het verhaal goed en stuitten niet op problemen.

4)      Op welk leesniveau wil je insteken met je volgende boek? Welk boek/welke schrijver ben je van plan te gaan lezen?

Ik wil graag opnieuw een boek lezen met niveau 5. Waarschijnlijk ga ik een boek kiezen van Harry Mulisch.
 

zondag 31 maart 2013

Verwerkingsopdracht Verlichting periode 3


Verwerkingsopdracht ‘Verlichting’

Literatuur kinderpoëzie

Voor deze opdracht heb ik de volgende vier gedichten gebruikt:

·         ‘De Perzik’ van Hiëronymus van Alphen (uit ongeveer 1780)

·         ‘Wel, wel, hoe deftig’ van O.S. van der Veen (uit 1908)

·         ‘De brievenbus wou niet meer’ van Annie M.G. Schmidt (uit 1991)

·          ‘Koe zonder boe’ van een onbekende schrijver (uit 2012)

Allereerst zal ik de vier gedichten apart beschrijven:

1.       “De Perzik” wordt verteld vanuit de ogen van een kind. Het gedichtje vertelt dat de ik-persoon een perzik van zijn vader krijgt, omdat hij zo goed leert (op school). Het taalgebruik is in het begin erg makkelijk, maar na vier regels komt de moraal en dan wordt het taalgebruik wat moeilijker. Op de moraal ligt sterk de nadruk: het personage staat in dienst van de moraal. Verder rijmt het gedicht en past het onderwerp zeker bij de kinderbeleving, want een kind ziet een beloning ook vaak als een stimulans om goed door te blijven gaan (dit is ook terug te lezen in het gedichtje: “die perzik smaakt naar meer”).

2.       In “Wel, wel, hoe deftig” wordt door een volwassene een kleuterjongetje beschreven dat voor het eerst in een echte broek rondloopt. Het taalgebruik in dit gedicht is niet heel erg moeilijk, maar door een aantal woorden (wel, wel – toch) is te merken dat het gedicht niet vanuit de ogen van Michiel (het jongetje dat beschreven wordt in het gedicht) is geschreven. In dit gedicht zit geen moraal en de meeste regels rijmen op elkaar. Het onderwerp past wel bij de kinderbeleving, want in deze tijd was het aan mogen trekken van een grote broek een bijzondere gebeurtenis in het kleuterleven.

3.       Het gedicht “De brievenbus wou niet meer” wordt beschreven vanuit de ogen van de schrijfster zelf. Het gedicht gaat over een rode brievenbus die niet meer open wil gaan. Het verhaal wordt op een grappige manier verteld, met een simpel taalgebruik. Er zit geen moraal in het gedicht en alle regels rijmen op elkaar. Het is duidelijk te merken dat dit een kindergedicht is, omdat het een heel apart, verzonnen verhaaltje is.

4.       Tot slot “Koe zonder boe”. Dit gedicht is ook beschreven vanuit de ogen van een algemene verteller (de schrijver). In het gedicht wordt over een koe verteld die niet kan loeien, maar als de boer haar een pilletje geeft lukt het uiteindelijk toch. Er worden heel makkelijke woorden gebruikt en het gedicht rijmt. Er zit geen moraal in, het is gewoon een verzonnen verhaaltje dat past bij kinderen, omdat kinderen het vaak leuk vinden om grappige verhalen over dieren te horen.

Conclusie

Wat mij is opgevallen bij het analyseren van deze vier gedichten, is dat in het begin bij de gedichten van Van Alphen de personages echt in dienst staan van de moraal. In dit gedicht wordt alles ook beschreven vanuit de ogen van een kind, dat zich natuurlijk erg ideaal gedraagt (als een voorbeeld voor andere kinderen). Vanaf 1900, bijvoorbeeld in het gedicht ‘Wel, wel, hoe deftig’ is die moraal verdwenen en zie je dat het gedichtje niet vanuit de ogen van het kind, maar vanuit de ogen van de volwassene wordt beschreven en daarna ook vanuit de ogen van de schrijver.
Wat het taalgebruik betreft, vond ik het opvallen dat bij gedicht 2 het taalgebruik expres wat was aangepast, omdat dat uit de ogen van een volwassene werd beschreven. Bij de laatste twee gedichten was het taalgebruik overigens veel makkelijker dan bij de eerste. In alle gedichten is ook wel aan de belevingswereld van kinderen gedacht.

Tenslotte was duidelijk te zien dat in de eerste twee gedichten die ik gekozen had, over onderwerpen gingen die in het dagelijks leven voor zouden kunnen komen of die vrij gewichtig zijn. In de laatste twee daarentegen (vanaf 1990) gaat het steeds over verzonnen gebeurtenissen, verhaaltjes die nooit in het echt voor zouden kunnen komen.

Naomi de Ruijter, 5A
 

zondag 13 januari 2013

Verwerkingsopdracht periode 2


Oordeelvorming over “Specht en zoon”

1. Algemene informatie

a.       Standaardtitelbeschrijving:

                                 i.            Willem Jan Otten, Specht en zoon

                               ii.            Den Bosch, 2006, eerste druk in 2004

b.      Genre:

Het is een psychologische roman, omdat er veel nadruk ligt op de gedachtes van de verteller (in dit geval het schildersdoek). Bovendien gaat het over relaties tussen mensen, en dan vooral de normen en waarden daarbij.

c.       Een korte samenvatting van het boek:
Felix Vincent, een bekende portret schilder krijgt hij de opdracht van z’n leven. Valéry Specht, een steenrijke kunstverzamelaar, geeft hem opdracht om zijn overleden zoon Singer te schilderen. Specht vertelt Schepper dat ie het schilderij moet schilderen om Singer “tot leven te wekken”. Aan de hand van foto’s en een aantal videobeelden gaat Felix aan het werk. Felix, wordt ‘Schepper’ genoemd doordat het hele verhaal is geschreven vanuit de optiek van het schilderdoek waar Singer op komt te staan. Het is een groot, duur doek, en heeft alle menselijke eigenschappen qua zintuigen. Het duurt maanden voordat het doek beschilderd wordt en zo leren we Felix, zijn vrouw Lidewij en alle andere mensen die in het atelier van Schepper komen kennen. Tot op het moment dat Specht binnen komt lopen lijdt het doek een passief leven. Maar als dan uiteindelijk wordt besloten door Schepper dat hij het doek wordt waar Singer op wordt gemaakt en gaat hij een actief leven lijden. Nadat het schilderij af is, komt Lidewij erachter dat ze zwanger is. Het schilderij wordt niet op de afgesproken datum opgehaald, pas zes à zeven maanden later. Als Lidewij wordt opgenomen in het ziekenhuis voor de bevalling, komt  recensent Minke Depuis langs en haalt schepper over om over het schilderij te vertellen. Eerst twijfelt schepper omdat hij aan specht beloofd had het schilderij geheim te houden. Dan vertelt Minke dat specht een pedofiel is en dat hij Singer gekocht had. Specht had volgens Minke aan schepper gevraagd Singer te schilderen, omdat Specht dat bij elke kind had gedaan dat hem te oud geworden was. Schepper gelooft dat en verbrandt het schilderij uit schaamte. Dan bevalt Lidewij en wanneer Schepper thuis komt uit het ziekenhuis wordt hij bezocht door doodzieke Specht om het schilderij op te halen. Schepper vertelt het verhaal van Minke, maar Specht ontkent dit alles. Hij had het schilderij voor Singer laten maken, omdat Singer depressief is. Specht vraagt alsnog een keer aan Schepper om Singer te schilderen.

2. Onderbouwing van mijn persoonlijke oordeel

“Specht en zoon” vond ik echt een heel mooi boek. Ik had dat eerlijk gezegd niet verwacht van tevoren, maar het is zeker de moeite waard om te lezen. Ik ben begonnen in dit boek omdat ik het op de lijst zag staan bij niveau 4 en ik kon me herinneren dat mijn docent in de vierde klas er eens iets uit voorgelezen had en dat hij er toen ook zo enthousiast over was.
Toen ik begon te lezen, was het voor mij even wennen dat het verhaal is geschreven door de ogen van een schildersdoek. Het begin was echter wel heel sterk: “Het loopt tragisch met mij af, daar lijkt het nu toch echt op. Ik sta op de ezel en heb alleen het ergste te verwachten. Hij komt uit de tuin gelopen. Hij komt me halen, het kan niet anders of ik word in het vuur geworpen. Ik vertel dit nu al, anders sluit u zodra u begrijpt wie ik ben dit boek.” Later komt deze scène inderdaad terug, maar op deze manier wordt er wel een bepaalde spanning opgebouwd die je het hele boek niet meer kwijtraakt. Een erg goed punt aan dit boek vind ik dus de opbouw: de schrijver heeft echt een heel sterke opbouw heeft neergezet door met zo’n prachtige opening te beginnen.

Voordat ik het boek ging lezen, had ik al op internet gelezen dat Willem Jan Otten in zijn boeken ook veel gebruik maakt van het thema “geloof”. Dit vond ik ook duidelijk terugkomen in het verhaal. Ten eerste kun je al wat zien van dit thema in de titel: Schepper en zoon.  Als lezer kun je dan denken aan een schepper die een bepaalde wereld creëert en dit is dan weer dubbelzinnig op te vatten. Verder heeft schepper het ook veel over God: bestaat zoiets als God en zo niet, waarom wil ik dan toch dat hij er is? Tenslotte vond ik deze zin ook erg opmerkelijk, dit is op het einde als Specht Minke Depuis niet schuldig wil veroordelen: “Neem het haar niet kwalijk. Ze wist niet wat ze deed.” Deze zin is bijna identiek aan een gebed van Jezus tot God voordat Jezus gekruisigd zou worden. Ik vind de religieuze verwijzingen echt niet vervelend, ik vind het juist wel mooi omdat daardoor sommige dingen op verschillende manieren bekeken kunnen worden.
Zelf heb ik totaal geen interesse voor kunst, ik weet er dus niet veel vanaf. Daarom had ik wel de angst dat het boek vrij saai zou worden voor mij, omdat ik dat stukje interesse mis. Gelukkig was die angst nergens voor nodig, omdat het boek eigenlijk niet hoofdzakelijk over dat schilderij (en dus kunst) gaat. De bedoeling van het verhaal is dat je nadenkt over leven en dood. “Maak hem levend. Je redt er een leven mee” had Specht tegen schepper gezegd toen hij de opdracht bracht. Verder komt de dood ook een paar keer voor in het boek: Het schilderen van Singer wordt namelijk bijna scheppers morele dood en het kind dat schepper bij zijn vrouw verwekt heeft, wordt bijna de dood van zijn vrouw. Dan heb je ook nog het doek, dat eerst zo levendig lijkt met al zijn vertellingen, maar vervolgens ook de dood in de ogen ziet op de brandstapel. Ik vond het echt heel bijzonder om een boek te lezen dat hoofdzakelijk gaat over leven en dood. Ik vind dat de schrijver dit thema perfect
heeft uitgewerkt.
 
Kortom, ik ben erg tevreden over het boek. De goede opbouw, het unieke vertelperspectief, de religieuze verwijzingen hier en daar en het zeer bijzondere thema “leven en dood” hebben gezorgd voor een prachtig boek dat je snel uit wilt lezen.

donderdag 8 november 2012

Verwerkingsopdracht periode 1


Leesverslag algemeen

1. Algemene informatie

a.       Standaardtitelbeschrijving:

                                I.            Willem Frederik Hermans, de donkere kamer van Damokles

                              II.            Amsterdam, 2012, eerste druk in 1958

                            III.            319 pagina’s
Dit is een editie voor scholieren, speciaal uitgegeven ter gelegenheid van Nederland Leest, 1-30 november 2012.

b.      Het genre:
 
       De donkere kamer van Damokles is een psychologische oorlogsroman.

c.       Een korte samenvatting van het boek:

Dit was een vrij lastige opgave. In het boek gebeurt namelijk erg veel en het is lastig om dingen weg te laten, omdat het verhaal dan al snel onduidelijk wordt. Op internet stonden vele samenvattingen, ik heb geprobeerd er een goede uit te halen en ik heb zelf ook nog wat aangepast.

De samenvatting

Henri Osewoudt gaat op 12-jarige leeftijd naar zijn oom Bart Nauta in Amsterdam. Dit doet hij nadat zijn moeder in een vlaag van waanzin zijn vader, die in Voorschoten een sigarenwinkel had, vermoord heeft. Hij volgt een middelbare schoolopleiding, maar heeft met niemand contact, behalve met zijn nicht Ria, die 7 jaar ouder is. Beiden zijn lelijk. Henri heeft bolle wangen, wit zijdeachtig kortgeknipt haar, geen baardgroei, en, vanwege de judosport vergroeide voeten: hij ziet eruit als een rechtopstaande pad. Bovendien heeft hij een te hoge stem. Op 18-jarige leeftijd trouwen ze. Henri zet de zaak van zijn vader voort. Zijn moeder woont bij hen in, en Moorlag, die staatsexamen wil doen, heeft ook een kamer bij hen. Henri wordt afgekeurd voor militaire dienst, omdat hij een halve centimeter te klein is. Wel is hij bij de Burgerwacht en bij het uitbreken van de oorlog krijgt hij de opdracht bij het postkantoor op wacht te staan. Hij komt in contact met een luitenant van de landmacht, die zich Dorbeck noemt. Deze Dorbeck lijkt als twee druppels water op Henri, met dat verschil, dat hij het 'geslaagde exemplaar' is, en de eigenschappen bezit, die Henri graag had willen hebben. Van Dorbeck krijgt Henri een filmpje, dat ontwikkeld moet worden. Na de capitulatie geeft Henri Dorbeck een kostuum te leen, en begraaft hij Dorbecks uniform in zijn tuin. Dorbeck brengt later het kostuum terug en geeft Henri nog enkele films. Deze moeten ontwikkeld worden en dan naar Amsterdam worden opgestuurd. Als de films zijn ontwikkeld, staan er alleen zwarte vlekken op, zodat Henri ze niet durft op te sturen. In plaats daarvan koopt hij een Leica en maakt zelf foto's van militaire objecten.
Via opdrachten van Dorbeck raakt Henri bij het verzet betrokken. Daarbij wordt hij gevolgd door de zoon van de drogist in Voorschoten en verraden. Als Henri het filmpje ontwikkelt dat Dorbeck hem in de meidagen van '40 gaf, staat op één van de foto's Dorbeck met twee vriendinnetjes voor het huis in de Kleine Houtstraat.
Henri krijgt dan in '44, nadat hij drie jaar niets van Dorbeck heeft gehoord, een brief met het verzoek de foto's te zenden naar Postbus 234 in Den Haag. Hij gaat kijken wie de brief ophaalt: het blijkt een heilsoldate te zijn. Enkele dagen later wordt hij opgebeld door ene Elly Spenkelbach Meijer. Zij zegt dat ze uit Engeland komt en toont hem later een van de foto's, die hij aan Dorbeck heeft gestuurd. Hij brengt haar dan naar oom Bart, maar als hij in Voorschoten terugkomt, hoort hij van Moorlag, dat de Duitsers hem hebben opgewacht en zijn moeder en Ria opgepakt zijn. In Leiden krijgt hij een nieuw persoonsbewijs dat op naam van Filip van Druten staat.
Hij wordt verliefd op het meisje Marianne Sondaar (de ondergedoken joodse studente Mirjam Zettenbaum), die zijn haren zwart verft. Zelf duikt hij onder aan de Zoeterwoudse singel, en gaat foto's ontwikkelen voor Labare. Hij beseft hoezeer hij veranderd is en vindt dat Dorbeck 'een ander mens' van hem heeft gemaakt. Hij ontmoet Marianne opnieuw, die voor hem de valse papieren naar Elly wil brengen. Die blijkt echter al verdwenen.
Hij krijgt een nieuwe opdracht van Dorbeck: hij moet in de stationswachtkamer van Amersfoort een vrouw in leidsteruniform van de Nationale Jeugdstorm ontmoeten. Samen gaan ze naar Lunteren om de Gestapoman Lagendaal uit de weg te ruimen. De vrouw wordt later in de trein aangehouden; Henri wordt gearresteerd als hij met Marianne in de bioscoop zit en op het doek een oproep tot zijn aanhouding verschijnt. Hij wordt gemarteld, opgenomen in een ziekenhuis, en weer bevrijd. Als hij bij Labare Marianne opnieuw ontmoet, toont hij haar zijn gevoelens over Dorbeck en zichzelf: "Ik heb nooit geweten, dat ik het mislukte exemplaar was tot ik Dorbeck ontmoette." Hij vindt dat hij alleen bestaansrecht kan krijgen, als hij Dorbecks opdrachten uitvoert.
's Nachts wordt hij weer gearresteerd en later door Ebernuss bevrijd. Deze is op zoek naar Henri's dubbelganger Dorbeck. In een clandestiene sociëteit voor ondergrondse helden, denkt Henri Dorbeck te herkennen. Hij krijgt gif om Ebernuss te vermoorden, en daarna gaan ze er samen in Ebernuss' auto vandoor. In een leegstaand huis maakt Henri met de Leica van Ebernuss voor de spiegel een foto van Dorbeck en zichzelf. Dorbeck vertelt hem, dat Ria samenwoont met de verrader, de zoon van de drogist in Voorschoten. Henri krijgt een verpleegstersuniform om Marianne, die zwanger is, in de kraamkliniek te kunnen bezoeken. Als hij daar aankomt, krijgt hij het lijkje van zijn kind te zien, en loopt huilend weg. Hij vermoordt eerst Ria, daarna de Duitser, die hem een lift had gegeven, en vraagt dan een pastoor om hulp.
Met hulp van een illegale arts komt hij de grens tussen het bezette en het door de geallieerden bevrijde gebied over naar Breda. Hij wordt naar Engeland gebracht en verhoord. Hij gaat dan weer naar Nederland, maar wordt ook daar niet vrijgelaten. Er wordt namelijk beweerd, dat in de Duitse stukken staat, dat hij een handlanger van de Duitsers is. Er is niemand die het tegendeel kan bewijzen. Dorbeck is onvindbaar, Jagtman en Moorlag zijn dood, Mirjam is in Israël. Als Henri het filmpje ontwikkelt, waarop hij samen met Dorbeck op de foto zou staan, blijkt deze foto mislukt. Henri rent naar buiten en wordt neergeschoten.

2. Verwachtingen

Hoe ben ik op het idee gekomen dit boek te gaan lezen?
Op televisie had ik wel eens iets gezien over de actie Nederland Leest en hun boek van dit jaar: De donkere kamer van Damokles. Een tijdje laten zag ik op school allerlei scholierenedities liggen ter gelegenheid van Nederland Leest en toen leek het me eigenlijk wel leuk om dit boek te gaan lezen.

Wat waren mijn verwachtingen?
Eerlijk gezegd had ik voor de actie Nederland Leest nog maar weinig over het boek gehoord of gelezen. Ik had dus, voordat ik begon met lezen, eigenlijk geen voorstelling van het verhaal of van de thema’s die aan bod zouden komen. Ik ging er dus heel open in en dat vond ik juist wel leuk. Wel is het zo dat, doordat het boek zo gepromoot werd, ik toch een beetje een hoge verwachting had.
3. Motieven en thema

Er zijn veel verschillende motieven aan te wijzen in het verhaal. Opvallende motieven vond ik ten eerste het toeval, want sommige gebeurtenissen (zoals de ontmoeting van Henri met Dorbeck) zijn zo aangewezen op het toeval dat het bijna onwaarschijnlijk lijkt. Ook komt het gemis aan een eigen identiteit vaak terug: Henri en Dorbeck lijken namelijk sprekend op elkaar, maar Henri is van mening dat hij het mislukte exemplaar is en dat hij alleen iemand van waarde is als hij Dorbecks opdrachten netjes uitvoert. En natuurlijk is er dan nog het dubbelgangersmotief: het gebeurt namelijk erg vaak dat Henri wordt verward met Dorbeck of andersom.

De Leica van Osewoudt zou ik als leidmotief aanwijzen, omdat die er erg belangrijk is voor Henri en die is uiteindelijk heel erg belangrijk als bewijsmateriaal tegen zijn onschuld.

Het thema heeft overduidelijk te maken met de werkelijkheid: zelf de werkelijkheid weten, maar dit niet kunnen aantonen. Hierdoor sterft Osewoudt uiteindelijk.

4. Beoordeling

a.       Beoordeling van de schrijfstijl:

Ik vond de schrijfstijl van Willem Frederik Hermans heel apart. De donkere kamer van Damokles is het eerste boek dat ik van hem lees, maar het heeft me wel erg geboeid. Ik vind het erg knap hoe hij de personages beschrijft, gedetailleerd met bovendien een ironische ondertoon erin. Een voorbeeld is het stukje waarin Henri voor de spiegel staat (pag. 19): “Een klein monster, een rechtopstaande pad. Hij had geen neus, maar een neusje. Zijn mond deed denken aan de opening waardoor laagstaande dieren hun voedsel opnemen, geen mond die ook lachen en praten kon.” Verder vind ik dat Hermans heel goed kan beschrijven hoe Henri zich voelt tegenover Dorbeck, die sprekend op hem lijkt. Deze zin daarover vind ik heel mooi: “Het is een beetje moeilijk uit te drukken, maar ik bedoel zo ongeveer in een fabriek waar een bepaald voorwerp wordt gemaakt: nu en dan mislukt er een, ze maken een tweede dat goed is en het mislukte exemplaar gooien ze weg… Alleen, mij hebben ze niet weggegooid, ik ben blijven bestaan, mislukt en wel.” (pag. 169)

b.      Beoordeling van de inhoud:

Tijd: Het verhaal speelt zich grotendeels af tijdens de Tweede Wereldoorlog en dat brengt de nodige spanning met zich mee: Osewoudt gaat namelijk in het verzet en het is steeds maar weer de vraag of hij niet verraden en opgepakt zal worden. De tijd zorgt voor een soort van ‘thrillereffect.’

Vertelperspectief: Er is sprake van een personele verteller: de verteller weet alleen wat Osewoudt denkt en voelt, maar als lezer weet je niet wat er in de andere personages omgaat. Dit maakt het verhaal spannender: Je weet bijvoorbeeld een lange tijd niet waarom Ebernuss als Duitse officier zo aardig tegen Osewoudt blijft.

5. Eindoordeel

 
 
 

Ik vond de donkere kamer van Damokles een heel mooi boek. Ten eerste omdat ik heel enthousiast ben over de schrijfstijl van Willem Frederik Hermans. De manier waarop hij zijn personages beschrijft is gewoon heel leuk en grappig. Een voorbeeld van pagina 19, waarin Henri’s vrouw Ria wordt beschreven: “Haar haren hadden de kleur van pakpapier, zij had een lange spitse onderkaak en ook haar tanden waren te lang. Haar tanden vormden geen sieraad van de mond, of zelfs maar een wapen, maar eerder de afsluiting ervan, iets als de knip op een portemonnaie.” Verder vond ik de gebeurtenissen erg verrassend: Henri viel van de ene opdracht in de andere en kwam steeds weer andere mensen tegen. Spannend vond ik dan de vraag of iedereen wel te vertrouwen was. Het einde is naar mijn mening heel bijzonder. Je zou verwachten dat na de oorlog Henri samen met Mirjam en hun kindje lang en gelukkig verder zou leven, maar het lot beslist alles: iedereen denkt dat Henri voor de Duitsers heeft gewerkt en Henri kan het tegendeel niet bewijzen. Henri sterft van moedeloosheid: “Waar is Dorbeck? Schreeuwde Osewoudt. Hij moet gevonden worden! Het moet! Het moet! … Nu pas werd er geschoten, een kort salvo uit een stengun. Toen het tweede salvo weerklonk, viel Osewoudt voorover, hij kon nog net zijn handen in het prikkeldraad slaan dat langs het kanaal gespannen was.”

Door de actie van Nederland Leest had ik toch wel hoge verwachtingen van het boek, en deze zijn meer dan genoeg waargemaakt. Ik vond het echt wel leuk om dit boek te lezen.
6. Bronnen



dinsdag 30 oktober 2012


Opdrachten webquest Koning Artur en Middeleeuwse Literatuur

Naomi de Ruijter, 5A

Hoofdstuk 1: De Middeleeuwen

1. Bij geschiedenis heb je les gehad over de Middeleeuwen. Schrijf in trefwoorden op wat je nog weet van de Middeleeuwen.

·         Periode van ongeveer 500 tot 1500 na Christus, onderverdeeld in Vroege en Late Middeleeuwen

·         Hiërarchie

·         Leenstelsel

·         Opkomst steden

·         Christelijk, het leven was een voorbereiding op de dood.

2. Zoek op wat de drie voornaamste verschillen zijn tussen Karel- en Arturromans. Maak hierbij gebruik van je literatuurboek of bijvoorbeeld van het hoofdstuk ridderliteratuur op Internet.

        I.            Veel Karelromans zijn hoofdzakelijk gewijd aan oorlog en massagevechten (vaak tussen christenen en moslims), terwijl in de Arturromans de nadruk ligt op individuele avonturen, toernooien en tweegevechten.

      II.            Bij Karel de Grote heeft de vrouw niet veel te vertellen, maar in de Arturromans is er juist veel aandacht voor de vrouw en zijn de ridders veel galanter (Hoofse liefde).

    III.            Arturromans bevatten symbolische objecten, zoals de ronde tafel (gelijkheid) en het zwaard met twee ringen (onoverwinnelijkheid). Dit in tegenstelling tot de Karelromans.

3. Vertaal de eerste 25 verzen van de Arturroman Ridder metter mouwen in het Nederlands.

Ons vertelt die aventure,
Dat coninc Artur op dese ure
Hilt een hof soe over groet
In die stat te Kardeloet,
Recht op enen tsinxen dach,
Datmen nie gelijc des ne sach.
Die coninc hi droech crone doe
Entie coninginne mede alsoe.
Daer was menech riddere te hove,
Stout ende van goede love.
Die conince hadde oec doen maken
Roet samijt ende scarlaken
Mantel ende roc, vif hondert paer,
Vol hermerijns wit ende claer,
Ende dor op blau sindael dor houwen.
Daer waren ridderen ende joncfrouwen,
Met diren clederen ende met goeden
Geaetsemeert, die hem wel stoeden.
Daer waren Vm ridders snel,
Van prise goet, wetic wel.
Doe gine die conine messe horen
Met menegen riddere ut vercoren.
Erec ende Ydier, wet vor waer,
Gingen vorden coninc daer
Met tween guldinen roeden
Het verhaal vertelt ons,
dat koning Artur op deze tijd
Een zeer overdadig hoffeest hield
in de stad Kardeloet.
Precies op een pinksterdag,
Dat men niet het gelijke van een hofdag zag.
De koning droeg toen een kroon
en de koningin ook.
Daar was menig ridder op het hof,
dapper en voortreffelijk.
De koning had ook laten maken
van rood fluweel en scharlaken
mantels met rok, vijfhonderd paar,
vol met kleuren hermelijn en helder wit,
En met blauw zijde gevoerd.
Daar waren ridders en jonkvrouwen,
met hun kleding en met spullen
uitgedost, die hen wel stonden.
Daar waren vijfduizend fitte ridders,
voortreffelijke, dat weet ik wel.
Toen ging de koning de mis bijwonen
met vele uitverkoren ridders.
Erec en Ydier, weet ik zeker,
gingen voor de koning daar
met twee gouden staven

 

Hoofdstuk 2: Middeleeuwse boeken

1. Leg uit wat de uitdrukking monnikenwerk  - letterlijk en figuurlijk - te maken heeft met het schrijven van boeken in de Middeleeuwen. 

In de Middeleeuwen werden boeken geproduceerd door monniken. Zij kopieerden vooral geestelijke teksten in het Latijn, maar soms gaf de abt hen toestemming een verhaal in volkstaal te schrijven. Het schrijven van een boek was alleen een verschrikkelijk werk, omdat het vertrek meestal slecht verlicht en verwarmd was en men zat lange tijd geconcentreerd in één houding. Zodoende komen wij aan de uitdrukking monnikenwerk als we het hebben over een vervelend ( en eentonig) karwei.

2. Er zijn prachtige middeleeuwse handschriften bewaard gebleven. Bijvoorbeeld de Spieghel Historiael  van Jacob van Maerlant. Bekijk een bladzijde van dit boek en omschrijf kort de betekenis van de volgende termen: gehistoriseerde initiaal, miniatuur, rubriek, lombarde, marginalia.

Gehistoriseerde initiaal
Grote initiaal (beginletter) waarin een voorstelling is aangebracht; markeert het begin van een werk en/of het begin van belangrijke onderdelen daarvan.
Miniatuur
Getekende of geschilderde illustratie.
Rubriek
In rode inkt aangebrachte tekstgedeelten (met name opschriften), die de tekst visueel structureren.
Lombarde
Grote beginletter, gewoonlijk één tot drie regels hoog – maar kleiner dan initialen – meestal in één kleur, soms van enig penwerk voorzien.
Marginalia
Randversieringen, soms zeer grotesk uitgevoerd.

 

Hoofdstuk 3: Literaire cultuur

1. Tegenwoordig hebben romans een titelpagina. Dat is eigenlijk al zo sinds de boekdrukkunst. Probeer te verklaren waarom middeleeuwse handschriften niet zo'n pagina hebben. Betrek in je antwoord de productie van boeken en de paragraaf lezen en luisteren. Geef ook aan waarom de middeleeuwse drukkers de titelpagina hebben uitgevonden.

De middeleeuwse handschriften hadden waarschijnlijk geen titelpagina, omdat boeken voornamelijk voorgelezen werden. Als je voorleest, sla je de titelpagina meestal over en begin je meteen met het lezen van het verhaal. De titelpagina was dus niet zo belangrijk. Papier was in die tijd erg kostbaar, dus papier verspillen aan iets dat niet noodzakelijk is, is een onnodige zaak. Ik denk dat de titelpagina is uitgevonden omdat steeds meer mensen zelf boeken gingen lezen en dat men een titelpagina ging gebruiken om het boek een wat chiquere uitstraling te geven en bovendien de mensen te vertellen waar het verhaal over gaat.

2. Leg uit hoe het komt dat elk middeleeuws boek een uniek exemplaar is.

Toen de boekdrukkunst nog niet bestond, werd elk boek met de hand overgeschreven door monniken. Maar iedereen maakt wel eens een foutje en tekeningetjes zijn ook nooit gelijk aan elkaar. Vandaar dat je elk middeleeuws boek wel uniek kunt noemen.

3. Zoek in het fragment van Ridder metter mouwen een vers waaruit blijkt dat het de bedoeling van de schrijver was dat de tekst hardop zou worden voorgedragen.

In regel 20: “Van prise goet, wetic wel” wordt in de ik-vorm gesproken, aangezien ik vermoed dat “wetic” weet ik betekent. Hieruit blijkt dat het de bedoeling is dat een verteller het verhaal vertelt, die kan dan net doen alsof hij zelf bij dat hof is geweest en dat maakt het verhaal spannender voor de luisteraars.

Hoofdstuk 4: Artur in Brittanië

1. Noteer kort wat in je opkomt bij het horen van de naam koning Artur.

·         Zwaard (excalibur) uit de steen

·         Heel jong koning (15 jaar)

·         Bekende legeraanvoerder

·         Guinevere

2. Waarom worden Arturromans ook wel Keltische romans genoemd?

Veel Kelten leefden voor het begin van onze jaartelling in Brittanië. Artur is dan ook een vorst van Brits-Keltische origine. Verder beleven Arturs ridders vaak avonturen in een fictieve wereld die gebaseerd is de op de Keltische mythologie. Vandaar dat de Arturromans ook wel Keltische romans worden genoemd.

3. Hoe zijn de verhalen over Artur op het vasteland bekend geworden?

Toen de Angelsaksen na het “Gouden Tijdperk” (waarin de kronieken van Van Monmouth werden geschreven) weer de boventoon voeren in Brittanië, vluchten veel Britse Kelten (de oorspronkelijke inwoners van Brittanië) naar de Franse provincie Bretagne. Daar vertelden de Kelten de verhalen over Artur door.

Hoofdstuk 5: De literaire Artur

1. Zoek op Internet, in Encarta of een andere bron, informatie over Chrétien de Troyes. Schrijf iets over zijn leven, vermeld de titels van zijn teksten en ga in op de betekenis die hij heeft gehad voor de Arturroman.

Chrétien de Troyes leefde van 1135 tot 1183. Over zijn leven is helaas vrij weinig bekend. We weten dat hij tussen 1160 en 1181 in Troyes woonde, waar hij als hofdichter in dienst was van Maria, de hertogin van Champagne. Later was hij aan het hof van Filips van de Elzas, graaf van Vlaanderen. Filips leverde hem stof voor Chrétiens graalroman.

Chrétien heeft vijf ridderromans geschreven over Artur:

·         Érec et Énide

·         Cligès

·         Lancelot

·         Yvain

·         Perceval ou le conté du Graal (deze was onvoltooid toen hij stierf)

Het is onduidelijk uit welke bronnen Chrétien zijn inspiratie heeft geput. Hij toonde wel veel belangstelling voor het leven en de liefde aan het of. Verder weten we dat hij werk van Ovidius vertaald of bewerkt heeft. Chrétien heeft een belangrijke betekenis gehad voor de Arturroman: hij was een van de eerste schrijvers die schreef over de Heilige Graal.

2. Leg uit waarom de verhalen over koning Artur en zijn ridders enorm populair waren aan de Europese hoven.

·         Ridders vonden het erg leuk om naar verhalen over collega’s te luisteren, en dan vooral naar deze verhalen omdat het ridderschap in de twaalfde eeuw een andere invulling kreeg door het hoofse genre binnen de literatuur. Ridders die de verhalen hoorden wilden maar al te graag worden vergeleken met de ridders van de ronde tafel.

·         De sprookjeselementen als dwergen, mysterieuze jonkvrouwen en bijzondere voorwerpen zorgden voor vermaak.

·         Mensen zagen de Arturromans als een soort van etiquetteboekje, de verhalen boden lessen in gewenst en ongewenst gedrag. Koning Artur en zijn ridders werden als voorbeelden beschouwd.

3. Leg in je eigen woorden uit wat registrale kunst betekent.

Met registrale kunst wordt bedoeld dat in een bekend thema kleine veranderingen worden aangebracht, waardoor er toch een nieuw verhaal ontstaat.

4. De middeleeuwse Arturromans lijken op onze detectives, thrillers of doktersromans. Verklaar deze bewering.

Net als de Arturromans beginnen onze detectives vaak met het beschrijven van een normale/leuke situatie, die plotseling verstoord wordt door een moord, een ontvoering of iets anders vreselijks. Vervolgens is er één held/detective die een bepaalde taak moet volbrengen/een misdaad moet oplossen en daarbij op allerlei moeilijkheden stuit. In beide romans wordt de taak op het einde daadwerkelijk volbracht.

5. Arturromans zijn spiegels van hoofsheid. Onder andere blijkt dit uit de pracht en praal aan het hof en de manier waarop de ridders en jonkvrouwen met elkaar omgaan. Ander kenmerk is dat het begin van een Arturroman vaak vaste elementen bevat. Lees het begin (vers 1 t/m 86) van de Ridder metter mouwen. Noteer:

        I.            Welke typische hoofse elementen het fragment bevat.

      II.            Welke stereotype beginkenmerken je herkent.

Hoofse elementen zijn dat de vrouwen een centrale rol spelen, want zij worden duidelijk vermeld in de tekst. Zo staat er in vers 77 dat zowel de heren als de vrouwen rouwden, en in vers 16 wordt ook gezegd dat zowel ridders als jonkvrouwen naar het hoffeest kwamen. Je kunt opmaken dat ridders erg galant waren naar hun vrouwen toe: volgens de tekst droegen zij ook prachtige kleding en hadden ze mooie spullen.

Stereotype beginkenmerken zijn ten eerste het hoffeest van Artur op eerste Pinksterdag, de romans beginnen altijd met een feest. Verder is het typerend dat het feest verstoord wordt door een verschrikkelijke gebeurtenis, hier is dat het bericht van een bode dat er iemand overleden is.

6. Lees de tekstpagina over de middelnederlandse Arturroman Ferguut en het fragment met het gesprek tussen Ferguut en de jonkvrouw Galiene. Geef antwoord op de volgende vragen:

        I.            In het gesprek tussen Ferguut en Galiene is sprake van een miscommunicatie. Welke?

      II.            Leg uit of Ferguut een hoofse ridder is die begrepen heeft wat de hoofse liefde inhoudt?

 

        I.            Galiene gebruikt mooie beeldspraak door te zeggen dat Ferguut haar hart heeft gestolen. Ferguut begrijpt dit echter niet en denkt dat Galiene een spelletje met hem speelt. Hij kan niet begrijpen dat iemand aan hem vraagt of hij het hart van diegene heeft.

      II.            Nee, een hoofse ridder is altijd aardig tegen een jonkvrouw en mag nooit afwijzend reageren. Ferguut doet dit wel en stuurt Galiene zonder pardon weg.

7. Rond 1100 liepen er op het Europese continent heel wat Waleweins en Arturs rond. Leg uit waar dat een aanwijzing voor is en waarom.

Het is een aanwijzing dat de Keltische verhalen over Artur en zijn omgeving niet beperkt bleven tot Engeland, maar ook doordrongen op het continent. Hierdoor werden mensen vernoemd naar de helden uit de Arturromans. Een andere verklaring voor het opduiken van die namen op het continent is ondenkbaar.

8. Welk ridderideaal wordt in de Graalromans gepropageerd? Zoek op, in Encarta, op Internet of een andere bron, met wat voor soort tochten de opkomst van dat nieuwe ideaal te maken heeft.

In de Graalromans wordt een christelijk ridderschap als ideaal voorgesteld en dit heeft te maken met de opkomst van de kruistochten. In zo'n kruistocht trekken christelijke ridders ten strijde tegen de vijanden van het christendom met als doel het heroveren van het Heilige Land.

Hoofdstuk 6: De tastbare Artur

1. Arturs Ronde Tafel leeft in onze tijd voort in het verschijnsel van de rondetafelconferentie. Leg uit wat dit verschijnsel te maken heeft met de Ronde Tafel uit de Arturverhalen.

Bij Artur staat de tafel voor gelijkheid. Een huidig rondetafelconferentie wil zeggen dat alle deelnemers aan die vergadering gelijk zijn. Er zit, omdat de tafel rond is, bijvoorbeeld niemand aan het hoofd van de tafel.

2. Heel wat plaatsen in Groot-Brittannië worden in verband gebracht met koning Artur. Op deze kaart zie je er een aantal. Stel, een club bekenden (vrienden, familie) vraagt jou - want inmiddels ben je Arturdeskundige - ze rond te leiden langs een aantal bezienswaardigheden waar de geest van onze legendarische koning nog rondwaart. Stippel deze route uit en besteed daarbij in elk geval aandacht aan de volgende plaatsen: Tintagel, Winchester, South Cadbury, Glastonbury, Dozmary Pool en Salisbury. Noteer in welk opzicht deze plaats verband houdt met koning Artur (wat is er te zien?) en schrijf over elke bezienswaardigheid kort wat toeristische informatie die je zou kunnen gebruiken tijdens een rondleiding. Om aan je informatie te komen kun je van Internet gebruik maken, maar bijvoorbeeld ook van reisgidsen over Engeland. Een hele mooie is die van Dominicus: In de voetsporen van koning Arthur, geschreven door Nicki Bullinga.
Tintagel: Tintagel Castle is een belangrijk kasteel dat verbonden is met de verhalen over Artur.
Winchester: Hier bevindt zich de beroemde ronde tafel.
South Cadbury: Men beweert dat in deze stad “het” paleis van Artur staat.
Glastonbury: Hier zou de Heilige Graal door Jozef naartoe gebracht zijn.
Dozmary Pool: In dit meer zou “the lady of the lake” geleefd hebben die Artur Excalibur gaf.
Salisbury: Hier vond Arthurs laatste gevecht met Mordred plaats.